Periodiek van de Vereniging Vrienden van het Nationaal Onderwijsmuseum

 


 

200404. Sporen van professor Langeveld in Utrecht. Schoolgeschiedenis in beeld door Bert Stilma

 Dit jaar is het al weer dertig jaar geleden dat Nederlands bekendste pedagoog uit de vorige eeuw zijn werkzaamheden als hoogleraar neerlegde. Ik doel op professor M. J. Langeveld die vanaf 1939 als buitengewoon hoogleraar aan de universiteit van Utrecht werd benoemd en vanaf 1946 als gewoon hoogleraar; een functie die hij tot 1972 zou bekleden. Zijn er nog sporen van deze hoogleraar in het Utrechtse te ontdekken? We ontdekten er een tweetal, te weten de collegezaal en werkkamer aan de Trans en - veel meer expliciet - een naar hem genoemd gebouw aan de Heidelberglaan waar het universiteitscentrum De Uithof staat.

 Levensloop

Het was maar een impressie, maar de talloze-veelal vrouwelijke-studenten die het universiteitsgebouw aan de Heidelberglaan in Utrecht binnenliepen, hadden geen enkel oog voor het bord dat ons zo intrigeerde: Martinis J. Langeveld. Zou men uberhaupt wel weten wie Langeveld was, laat staan wat zijn betekenis is geweest? We beginnen onze kleine bespiegelingen met een kort overzicht van zijn leven. Martinus Jan Langeveld werd in 1905 als zoon van een onderwijzer in Haarlem geboren. Na zijn H.B.S.-tijd in Hilversum en Amsterdam ging hij in 1925 aan de Gemeentelijke Universiteit Nederlands studeren en daarnaast filosofie en geschiedenis en bij Ph. Kohnstamm pedagogiek. Zijn leermeesters stuurden de begaafde student naar Duitsland waar hij onder andere kennis maakte met het gedachtegoed van Litt, Heidegger en Stern. Na zijn afstuderen werd hij in 1931 leraar aan het Baarnsch Lyceum, promoveerde vervolgens in 1934 bij Kohnstamm over de relatie tussen taal en denken en werd in 1937 privaatdocent aan het Pedagogisch Seminarie van de Universiteit van Amsterdam. Twee jaar later zou hij buitengewoon hoogleraar in Utrecht worden, een benoeming die in 1946 werd omgezet tot een gewoon hoogleraarschap in zowel de pedagogiek, de didactiek als in de ontwikkelingspsychologie. Vele internationale onderscheidingen zijn hem ten deel gevallen en diverse publicaties verschenen in het buitenland. Op 15 december 1989 is hij als weduwnaar overleden.

 Publicaties

Het is ondoenlijk om een overzicht te geven van de talloze publicaties die hij geschreven heeft; zijn werkkamer aan de Trans, pal achter de Domtoren in Utrecht, was een stille getuige van de eruditie die deze hoogleraar kenmerkte. Tijdens zijn colleges bleek die belezenheid telkenmale, althans die herinnering is mij uit 1971, een jaar voor zijn emeritaat, bijgebleven.

Van zijn publicaties noem ik zijn standaardwerk Beknopte theoretische pedagogiek dat voor het eerst in 1945 verscheen en zijn in het Duits verschenen boek Studien zur Anthropologie des Kindes waarvan de derde, gewijzigde druk uit 1968 het bekendste is geworden. De titel van een van zijn laatste boeken Mensen worden niet geboren uit 1979 is een duidelijke typering van zijn levensvisie: kinderen zijn op opvoeding aangewezen en je bent, nee wordt pas mens als de aan jouw toevertrouwde volwassene ook een echte opvoeder wil zijn. Kinderen `alleen' maar eten en drinken te geven is hooguit een humaniserende voorwaarde om tot opvoeding te komen. Om het een beetje gechargeerd te formuleren: de plastic bekertjes op de grond bij het Langeveldbord aan de Heidelberglaan vormen hooguit een voorwaarde om tot studeren te komen.

Was tot aan de Tweede Wereldoorlog de pedagogiek veelal een afgeleide wetenschap van een levensbeschouwing, Langeveld heeft in zijn hoofdwerk met verve op een niet beknopte wijze voor de theoretische pedagogiek een zelfstandige plek in de rij der wetenschappen opgeŽist. De pedagogiek moet als uitgangspunt nemen de opvoedkundige situatie waarin dit kind verkeert en opvoedkundigen moeten niet - zoals Ernst Mulder dat in zijn dissertatie noemde-een Levensbeschouwelijk beginsel buiten de pedagogiek als uitgangspunt kiezen. Die opvoedkundige situatie ga je analyseren door je onder andere af te vragen wat het kind aan belevingen en ervaringen met zich meeneemt. Er wordt in deze als Utrechtse richting bestaande stroming in de pedagogiek duidelijk gekozen voor een antropologie van het kind. Kinderen zijn geen identieke plantjes die je laat opgroeien, maar kinderen zijn strikt individuele persoonlijkheden - in - wording die het vermogen in zich hebben om tot authentieke persoonlijkheden uit te groeien. Het is een opgave voor de opvoeder om kinderen te laten ontwikkelen tot `zelfverantwoordelijke zelfbepaling'. Door uit te gaan van een antropologie van het kind let men als opvoeder en leerkracht vooral op (1) de levensloop van het kind, zijn geschiedenis zo men wil,(2) de unieke mogelijkheden die dit kind als persoon heeft, en (3) op de mogelijkheden van veranderingen bij dit kind dat immers geen plantje was dat vanzelf wel opgroeide. 

Betekenis

Voorstanders van het gedachtegoed van Langeveld verdedigen hun keuze meestal met de volgende twee argumenten. Ten eerste heeft Langeveld het vak pedagogiek een vaste en zelfstandige plek gegeven in het palet van de sociale wetenschappen. In de tweede plaats heeft Langeveld met klem gewezen op het belang om de belevingswereld van het kind meer in het onderzoek te betrekken. Je gaat als pedagoog als het ware op je knieen om te observeren wat dit kind aan ervaringen en belevingen met zich meeneemt. Rondom alle uiterst belangrijke discussies die momenteel over het pesten gaan en de antipestprotocollen, is het betrekken van de kinderlijke emoties voor opvoeders geen overbodige luxe. Het ene kind ervaart een onschuldig plagerijtje als een ernstige vorm van pesten, terwijl een ander kind dat wel gepest wordt die pesterij slechts als een onschuldig geintje interpreteert. Dit verschil in taxatiebeleving is voor elke onderwijsgevende van groot belang, wil men tenminste een prettige sfeer in de klas continueren.

Een ander voorbeeld willen wij u niet onthouden. Drie kinderen in de leeftijd van 6, 8 en 10 jaar houden een hardloopwedstrijdje. Objectief gezien is het kind van tien jaar nummer 1, het kind van 8 jaar nummer 2 en het kind van zes jaar nummer 3. Subjectief zijn de rollen totaal anders. Het jochie van zes ervaart het meedoen al als een overwinning: hij voelt zich nummer 1. Het kind van tien jaar ervaart het feit dat hij moet lopen met twee jongere tegenstanders als een complete afgang.Voor zijn gevoel is hij de grote verliezer, nummer 3 dus. Tegenstanders van het gedachtegoed van Langeveld wijzen veelal op de volgende twee zwakke plekken in de theoretische opzet van de Utrechtse hoogleraar. Door uit te gaan van de belevingswereld van het kind en de situatie waarin het desbetreffend kind verkeert via observaties te gaan interpreteren stuit men op een methodologisch probleem: zijn de op grond van de verkregen observatiegegevens gedane uitspraken wel op een objectief wetenschappelijke wijze te controleren? Verder tekenen de tegenstanders bezwaar aan tegen de wijze waarop feiten en normatief geladen standpunten te ongemerkt in elkaar overlopen. De conclusies die door Langeveld c.s. getrokken worden zijn geen conclusies maar slechts hypothesen, aldus de opponenten van Langeveld. Behalve dit veel genoemde wetenschappelijk bezwaar, kwamen er ook kritische geluiden uit de maatschappelijk geŽngageerde hoek. Zo kreeg de gepensioneerde Langeveld in de jaren zeventig het verwijt dat hij te weinig oog had voor de klassenverschillen in de maatschappij.

In die jaren maakte namelijk Co van Calcar furore met zijn taal/leesprogramma's voor kinderen uit de vanuit sociaal-economsich gezien minder bevoorrechte klasse van de maatschappij. Uit studies uit de jaren zestig was gebleken dat er - om in de terminologie van de wetenschappelijke onderzoeker Van Heek te blijven - in die zogenoemde minder bevoorrechte klasse verborgen talenten zaten. Die talenten bleven ondanks een goede intelligentie verborgen omdat een gebrekkige taal/leescognitie de leerprestaties te veel belemmerde. Deze thematiek van de compensatieprogramma's zou de in Bilthoven woonachtige Langeveld te weinig in zijn beschouwingen hebben betrokken.

Loek Zonneveld schreef op 31 juli 1974 in de Groene Amsterdammer: "Een kleine bloemlezing uit het pedagogisch kleurenpalet van de oervader der Nederlandse opvoedkunde, Langeveld, leert ons dat Van Calcar gelijk had toen hij schreef dat de heersende klassen in onze kapitalistische maatschappij enige pedagogenschrijvers hebben ingehuurd, die bij het schrijven van hun geestesvruchten hun kinderen door het raam van hun studeerkamer in de zonovergoten tuinen van hun dure villa's zagen spelen; aandacht voor de maatschappelijke realiteit was er dan ook niet bij."

Wegen we de opvattingen van de voor- en tegenstanders tegen elkaar af, dan kan men dertig jaar later voorzichtig vaststellen dat de aandacht die Langeveld vestigde op de strikt persoonlijke unieke geaardheid van elk kind met zijn of haar belevingswereld wellicht het meest in het huidige opvoedings- en onderwijsklimaat overeind is blijven staan.

Ter illustratie van onze mening citeren we de openingszinnen uit het `Woord vooraf ` dat we in een van zijn laatst geschreven boeken, getiteld Elk kind is er ťťn tegenkwamen. "Een kind is geen mier in een mieren hoop. Hij geeft bij zijn geboorte zijn eerste geluid: het geluid dat hem aankondigt. Hij heeft zijn eigen wijze van zijn, zijn eigen lichaam, leven, ouders, gezin, wereld. Het verheft zijn stem en roept. Roept om hulp, roept de naam van een ander - en de ander roept hem. Roept hem bij zijn naam."

Geen wonder dat de Utrechtse richting in de pedagogiek ook wel de personalistische pedagogiek wordt genoemd. Wij mensen zijn gelukkig unieke persoonlijkheden en dus hebben kinderen recht op een persoonlijke aanpak in de opvoeding en in het onderwijs. Kinderen zijn geen mieren. Niet voor niets luidt het huidige adagium in de school anno 2002: adaptief onderwis. Een belangrijk thema dat op zich een leerstoel rechtvaardigt. Tot die conclusie kwam Ivo van Hilvoorde op 4 oktober van dit jaar toen hij als vijfde stelling aan zijn promotieonderzoek toevoegde: "Om Langeveld te eren is een leerstoel meer op zijn plaats dan zijn `handtekening' op een gebouw".

Literatuur:

M.J. Langeveld, Elk kind is er ťťn, Nijkerk 19783
F. Beugelsdijk/S. Miedema, Pedagogiek in meervoud, Deventer, 1984
I.van Hilvoorde, Grenswachters van de pedagogiek, Baarn 2002


 

Zakelijke info