Periodiek van de Vereniging Vrienden van het Nationaal Onderwijsmuseum

 


 


140404. Schoolgeschiedenis in beeld Dik Trom: een bijzonder kind uit Hoofddorp door Bert Stilma

Veel mensen houden naast hun beroep er een hobby op na; onderwijzers vormen daar geen uitzondering op. Zo besteedde in de vorige eeuw de schoolmeester Cornelis Johan Kieviet (1858‑1931) zijn vrije tijd aan het schrijven van kinderboeken. Dat werden er maar liefst vijftig. Tot de bekendste boeken die van zijn hand zijn verschenen, kunnen gerekend worden Fulco de minstreel en de lotgevallen van Dik Trom. Over deze laatste figuur zijn uiteindelijk vijf boeken verschenen, uitgaven die recentelijk nog zijn gebundeld onder de titel De dikke Trom. Op het marktplein van Hoofddorp, een flink uit zijn kluiten gewassen forensenplaats, trof ik onlangs een vrolijk standbeeld aan van een al even vrolijk uitziende jongen die achterste voren op een ezel zit. Mijn nieuwsgierigheid was gewekt, zeker toen ik in een achter dit plein gelegen woonwijk een basisschool aantrof met de naam DIK TROM.

 Kieviet

Wie was C. Joh. Kieviet en waarom staat dit bronzen beeld, dat in 1973 door Nico Onkenhout is ontworpen, uitgerekend midden in de Haarlemmermeerpolder? Cornelis Johan werd als tiende kind uit een gezin van elf kinderen in Hoofddorp geboren op 3 maart 1858. Zijn vader Laurens was een uit Hazerswoude overgekomen timmerman die met zijn vrouw Mar igje Huisman, uit Koudekerk afkomstig, in de nieuwe Haarlemmermeerpolder een bestaan trachtte op te bouwen. Als bijverdienste hadden de ouders geregeld kostgangers in huis. Onder die kostgangers bevonden zich vaak schoolmeesters. Dat verklaart wellicht Johan's beroepskeuze voor leerkracht in het lager onderwijs. In verschillende plaatsen heeft Kieviet als onderwijzer voor de klas gestaan: Lisse, Vijfhuizen, Hoofddorp, Etersheim (een gehuchtje vlak bij Oosthuizen) en Zaandam. Het was in Etersheim dat Kieviet zijn 'Dik Trom'‑boeken schreef. Hij las de 's avonds geschreven hoofdstukjes eerst voor aan zijn vrouw en de volgende dag vond de 'try‑out' plaats in zijn klaslokaal. De uitgevers zaten echter bepaald niet op het manuscript van Kieviet te wachten. Uiteindelijk wist een in Alkmaar woonachtige vriend de uitgever Kluitman zover te krijgen dat er in 1891 een bescheiden oplage van Dik Trom verscheen. Acht jaar later pas zou de tweede druk verschijnen. Deze was geļllustreerd door Johan Braakensiek, een illustrator die landelijk grote bekendheid genoot. Braakensiek, vanwege een gebroken been aan huis gekluisterd, had alle tijd van de wereld om dit boek ‑ waar hij zelf smakelijk om gelachen had ‑ te illustreren. Vanaf dat mo­ment raakte het boek alom bekend en gewaardeerd. De verkoopcijfers verbaas­den vriend en vijand.

 Trom

De hoofdpersoon Dik Trom wordt als enig en zeer dik kind in Hoofddorp geboren. Zijn vader, die timmerman van beroep is, slaakt te pas en te onpas de opmerking dat zijn zoontje een bijzonder kind is (en dat is 'ie). Voor het lezerspubliek bleek het bijzondere te zitten in een geslaagde mix van een drietal karakteristieken van de hoofdpersoon. In de eerste plaats is Dik Trom een goedhartig, eerlijk en zorg­zaam type die het opneemt voor diegenen die in de hoek zitten waarde slagen vallen. In de persoon van Dik Trom is een levensecht kind beschreven waar kinde­ren zich 'daad'‑werkelijk in kunnen herkennen. Dat was het tweede aantrekkelijke punt. Dus geen Brave Hendrik zoals Anslijn die als voorbeeld neerzette maar een quasi‑ ondeugende jongen die van tijd tot tijd (zeker in onze ogen) doorgaans onschuldig kattenkwaad uithaalde. Maar bovenal ‑ en dit is de meest opvallende karakteristiek ‑ worden er humoristische situaties beschreven die zeer herkenbaar zijn. Zo bijvoorbeeld een verhaaltje over de manufacturier Bertels. Elke ochtend trok Bertels er met zijn door een ezel getrokken wagen op uit, de boerderijen langs. 's Avonds thuisgekomen werd de tot dan toe getrouwe ezel van de wagen los gespannen; de ezel vloog dan steevast als een bezetene naar zijn weilandje. Nu was het een sport om als kind op de ezel te blijven zitten totdat die ezel op zijn weilandje was aangekomen. Niemand gelukte dat, behalve Dik Trom die achterste voren op de ezel ging zitten en zijn staart als teugel gebruikte.

Komisch

Hoe werd er in de kringen van onderwijzers en opvoedkundigen tegen het humo­ristische kinderboek, een nieuw genre, aangekeken? Ik ontdekte enige spraakver­warring in de door mij geraadpleegde literatuur waar het om dit genre kinderboe­ken gaat: humoristisch, geestig of komisch? Humoristisch lijkt me als een alom­vattende typering niet helemaal geslaagd omdat bij humor naast de lach ook de traan latent aanwezig is; humor heeft meestal een 'diepere' bedoeling. Zijn de boeken over Dik Trom dan beter getypeerd met het woordje geestig? Geestig lijkt me anno 1997 te veel gezegd, omdat de mopjes te gedateerd zijn:

Hoe heet je, ventje? Dik. Nee, dat ben je. In navolging van journaliste Aukje Holtrop lijkt de typering van komisch juister. Komisch heeft meer betrekking op 'eenduidige' humor: je schiet in de lach omdat je het grappig vindt zonder dat er nu direct diepere, meerduidige bedoelingen achter de beschreven situaties zitten.

Vond men rondom de eeuwwisseling de boeken van Kieviet ook humoristisch, geestig of zelfs komisch? De ontvangst is van pedagogische zijde vriendelijk. Jan Ligthart vindt wel dat Kieviet "over het kantje gaat", maar daar staat tegenover dat Kieviet kinderen alert maakt op het schijnheilige in de samenleving. Sterker nog: ze worden aangemoedigd om "te breken met banden van schijn". Mevr. RiemensReurslag, vele jaren hoofdredacteur van het maandblad Het Kind, schrijft het succes van het boek toe aan het feit dat de personen nu eens niet gesitueerd worden in het gegoede burgerlijke milieu. Dik Trom is in haar visie een echt volksboek waar vele lagen van onze bevolking zich in zullen herkennen. Kieviet zelf geeft op 70‑jarige leeftijd in een interview te kennen dat hij primair een levensechte jongen wilde typeren en zich wilde afzetten tegen de onechte brave kinderen die tot dan toe veelal als voorbeeld werden gesteld. Ondeugend zijn en kattenkwaad uithalen horen nu eenmaal bij het opgroeien van kinderen en als je dit in kinderboeken verzwijgt dan sluit je niet aan bij de leefwereld van het kind.

De morele waarde van de lotgevallen van Dik Trom laat zich duidelijk benoemen. Er wordt in de boeken van Dik Trom een haarscherp onderscheid gemaakt tussen de daad op zich en de morele motieven die achter die daad verborgen liggen. Mogen de feitelijke daden van Dik in de ogen van sommige deskundigen dan niet altijd even verheffend zijn, de motieven zijn dat wel. Dik Trom is brutaal tegen de veldwachter omdat deze gezagsdrager op een ‑ vanuit zijn perceptie ‑oneerlijke wijze op wetsovertredingen reageert.

Kennelijk doorzagen in 1968 toch niet alle leden van de gemeenteraad van Hoofddorp dit onderscheid. Zo ging deze gemeenteraad in dat jaar niet eenstemming akkoord met de nieuwe naam van de te openen openbare school aldaar: DIK TROM. Zoals op de foto blijkt hebben de voorstanders toch hun zin gekregen.

Mensen vragen zich vaak af of probleemgedrag van de jeugd inherent is aan de leeftijd of vooral het gevolg is van de maatschappij waarin de jeugd opgroeit. Elke tijd kent in elk geval haar eigen verschijningsvormen van jeugdige baldadigheid, zoveel wordt duidelijk als we opnieuw kijken naar het bronzen beeldje van Onkenhout. Wat zien we op de rug van de ezel? Naast een ondeugende Dik pronkt het werk van een graffitispuiter...

 Literatuur C. Joh. Kieviet, De dikke Trom, Vaassen s.a. J. Riemens‑Reursiag, Het jeugdboek in de loop der eeuwen, 's‑Gravenhage 1949 W. van Toorn (red), De hele bibelebontseberg. Amsterdam 1989

Zakelijke info