Periodiek van de Vereniging Vrienden van het Nationaal Onderwijsmuseum

 


 

230207c. Boekbesprekingen

Marjoke Rietveld-van Wingerden, Annemieke van Drenth, Mark D'hoker &. Leendert Groenendijk (red.) (2004). Zorgenkinderen in beeld. Jaarboek voor de geschiede-nis van opvoeding en onderwijs 2004. Assen: Van Goreum, 136 blz, F' 20,45. ISBN 9023241053.

Al decennia lang bestaat er een eerbiedwaardige Vlaams-Nederlandse vereniging die luistert naar de al even eerbiedwaardige naam Belgisch Nederlandse Vereniging voor Geschiedenis van Opvoeding en Onderwijs. In de wandelgangen wordt deze vereniging doorgaans kortweg aangeduid met de lettercombinatie BNVGOO. Sinds het jaar 2000 geeft dit gezelschap een jaar-boek uit waarvan de inhoud veelal bestaat uit de lezingen die er het afgelopen jaar binnen deze vereniging gehouden zijn. Voor ons ligt het vijfde jaarboek waaraan de redactie de volgende correct getypeerde ondertitel heeft meegegeven: Facetten van de orthopedagogische praktijk in Nederland en BelgiŽ in de negentiende en twintigste eeuw.

Voordat wij een paar kanttekeningen plaatsen bij deze zeer gedegen publicatie, geven we eerst een korte samenvatting van deze bundel waaraan een negental medewerkers van verschillende Vlaamse en Nederlandse universiteiten hun medewerking hebben verleend. In een redactionele inleiding wordt de lezer gewezen op het feit dat de oprichting van de eerste dovenschool in 1790 te Groningen het startsein is geweest voor het geleidelijk ontstaan van het wat nu in ons land het `speciaal (basis) onderwijs' heet en BelgiŽ het `buitengewoon onderwijs'of `enseignement spťcial', afhankelijk van de streek waar men in BelgiŽ vertoeft.

Corrie Tijsseling en Marjoke Rietveld-van Wingerden beschrijven het wel en wee van leerlingen en onderwijsgevenden aan het eerste doveninstituut, te weten het H.D. Guyot instituut in Groningen, met gebruikmaking van veel authentiek bronnenmateriaal: een boeiend relaas. Zij staan niet alleen stil bij het handalfabet, maar ook bij wat `doof zijn' betekende in de beleving van het dove kind zelf. De rol van de initiatiefnemer van dit instituut, de Waalse predikant Henri DaniŽl Guyot, komt eveneens ter sprake. Daarnaast bevat het boek een hoofdstuk over het doofblinde Belgische meisje Anne Timmerman (1816-1859).De West-Vlaamse priester Charles-Louis Cardon trok zich het lot van dit meisje aan en richtte in 1836 in Brugge een instituut op. In deze boeiende bijdrage passeert vooral het opvoedingexperiment de revue. Annemieke van Drenth neemt de lezers weer mee terug naar Nederland en wel naar Den Haag, waar in 1855 de eerste school voor verstandelijk gehandicapte kinderen werd opgericht. De initiatiefnemer van deze - toen nog zo genoemde Ė `idiotenschool' kwam opnieuw uit religieuze hoek; nu was het de predikant Cornelis Elize van Koetsveld die zich het lot van deze kinderen aantrok. Van Drenth bepreekt met name de vaak onderbelichte rol van vrouwen onder het personeel op de opvoedingspraktijk. De Groningse onderzoeker Fedor de Beer inventariseert en analyseert de opkomst en de ondergang van de schoolarts bij de toelatingscommissie van het onderwijs aan zwakzinnige kinderen. We komen daar straks op terug. De bijdrage van Nelleke Bakker sluit de bundel af met een interessante en tot nadenken stemmende schets van`nerveuze kinderen', die men tegenwoordig snel het etiket ADHD zou opplakken.

Allereerst zij opgemerkt dat we met een zeer gedegen bronnenstudie te maken hebben die een fraai beeld schetst van de ontwikkelingen van het speciaal onderwijs. Fotomateriaal en uitvoerige notenapparaten en literatuurverwijzingen complementeren dit jaarboek. In de inleiding wordt uiteengezet dat enkele typen van zorgenkinderen besproken zullen worden. Eerst komen enkele `typen' ter sprake op grond van zintuiglijke. medische criteria: dan volgen enkele typen op basis . van een mentale indeling. Deze typologie heeft er bij de functie van de schoolarts toe geleid, zo stelt Fedor de Beer, dat de rol van de schoolarts nu is gemarginaliseerd omdat medische criteria hebben plaats gemaakt voor pedagogische criteria. Het gaat nu om de pedagogische hulpvraag die het kind aan opvoeders stelt. Zouden opvoedkundige criteria misschien een goede (wellicht betere?) indeling zijn voor een volgend jaarboek over dit thema? Zo zijn er kinderen die faalangstig, structuurbehoeftig, impulsief, inflexibel, ongeconcentreerd, of extreem ongemotiveerd zijn; allemaal `typen `kinderen die om een specifiek pedagogische aanpak vragen. Een laatste opmerking. Kennisname uit het verleden leidt vaak tot een beter inzicht in het heden. Hoewel op pagina 5 wel terloops wordt ingegaan op de huidige trend om zorgenkinderen niet naar aparte scholen te sturen, maar ze op de gewone basisschool te laten, zou een iets uitgebreidere afweging van de voor -en nadelen die aan beide keuzes verbonden zijn, de relevantie voor het heden hebben verhoogd. De hoogleraar W.E. Vliegenthart vatte in zijn oratie uit 1961 dit dilemma al samen met de woorden: `Anders-zijn en meegaan doen'. Het anders-zijn van zorgenkinderen wordt in deze uitgave uitstekend in beeld gebracht. Van harte aanbevolen, zeker voor die lezers die nader geinformeerd willen worden over het ontstaan van het speciaal onderwijs.

Bert Stilma

Zakelijke info