Periodiek van de Vereniging Vrienden van het Nationaal Onderwijsmuseum

 


 

170207. Boekbesprekingen

F. van der Houven, e.a. (red.),  Christelijk Lyceum Delft 50 jaar. Delft: CLD, z.j. [1998] (ISBN: 90-803317-3-2).

Vol persoonlijke herinneringen, korte en treffende terugblikken en veelzeggende illustraties en gelukkig niet al te veel taaie fata en data waar lustrumboeken nogal eens aan laboreren. Het is alleszins leesbaar voor wie in onderwijsgeschiedenis is ge´nteresseerd maar niet perse in een Delftse protestantse middelbare school, omdat in de particuliere belevingen veel doorschemert van de algemene geschiedenis. Maar daar blijft het bij.

Laat ik met twee willekeurige voorbeelden het verschil tussen beide boeken typeren. Lees je in het Stanislas-boek over een spannende strijd tussen katholieken en protestanten om de fraaie villa Bimini als eerste schoolgebouw te bemachtigen, dan verneem je uit dit gedenkboek van de gelukkige winnaars van destijds niet meer dan dat er nog een potentiŰle koper op de kust lag. Door het boek van Wijfjes loopt als een rode draad een afgewogen en spannend verhaal over een halve eeuw van verzuiling en ontzuiling en van discussies en acties rond de voortdurend veranderende schoolidentiteit. Het door een redactie van leraren samengestelde CLD-boek stijgt daarentegen niet uit boven anekdotiek en subjectiviteit.

 Op de omslag van dit jubileumboek staat een foto van een groepje quasi-ongedwongen poserende eigentijdse leerlingen, maar dat zijn meteen wel nagenoeg alle leerlingen die we erin tegenkomen.

Het boek is verder gevuld met in sepiatinten afgedrukte foto's van grijze heren en troosteloze schoolgebouwen tussen de zeer omvangrijke tekst in klein lettertype, waarin de notulen van het centrale bestuur van deze christelijke-scholengigant rond de monding van de Maas op de voet worden gevolgd. De tekst op zichzelf is trouwens helemaal niet slecht. De auteur legt alles geduldig uit, hij is niet onkritisch en zijn verhaal maakt een objectieve indruk. Ook besteedt hij aandacht aan de landelijke onderwijspolitiek (bijvoor-beeld een mooie en duidelijke uitleg over de Mammoetwet) en - in mindere mate - aan relevante maatschappelijke en culturele ontwikkelingen, waarbinnen het handelen en overleggen van het Rotterdamse bestuur kadert. Toch kan men zich afvragen wie zo'n boek nu echt van kaft tot kaft zou willen lezen. Ik vermoed alleen bejaarde onderwijsbobo's, die daar evenwel weer geen tijd voor hebben, omdat ze zich nog door een stapel nota's en circulaires moeten heenwerken.

Wie ge´nteresseerd is in schoolleven, onderwijsinhouden, pedagogische vragen, zal weinig van z'n gading vinden. Ook oud-leerlingen of -leraren van de talrijke scholen die onder CVO vallen, zullen wel via het register hun eigen school in het boek op verschillende plaatsen terugvinden, maar waarschijnlijk niet erg opgewonden raken van wat ze daar dan lezen: de zoveelste bestuurlijke maatregel, slepende identiteitsdiscussie of voorgenomen fusie.

In 1898 nam een tiental Zuidhollandse heren het initiatief om in Rotterdam een christelijke HBS voor de regio op te richten. Het was de allereerste in Nederland en de start was zeker niet glorieus. In protestants-christelijke kring was er zeer weinig interesse en animo voor middelbaar onderwijs in vergelijking met de inspanningen die men zich getroostte voor eigen lager en hoger onderwijs. Met name de HBS werd zelfs wat verdacht gevonden en in verband gebracht met liberalisme, modernisme, materialisme en ongodisme. Ook waren er feitelijk weinig middenklasseprotestanten die voor hun kinderen op de handel en dergelijke maatschappelijke functies gericht onderwijs begeerden. Men prefereerde destijds kennelijk (veel) geld te bestemmen voor eigen lagere scholen, voor de eigen Vrije Universiteit en voor enkele eigen gymnasia. Ook in katholiek Nederland bestonden er trouwens in het begin van de twintigste eeuw slechts drie eigen HBS-sen.

In 1901 begon dan deze Rotterdamse protestantse HBS met tien leerlingen, twee jaar later gevolgd door het verwante Marnix Gymnasium onder hetzelfde bestuur, maar de eerste decennia kon de vereniging nauwelijks het hoofd boven water houden. Financieel ging het pas beter na de Pacificatie, die in 1922 ook voor het middelbaar onderwijs subsidiŰring tot zo'n 80 % met zich meebracht. Overigens werd pas in 1956 algehele financiŰle gelijkstelling van openbaar en bijzonder middelbaar onderwijs ingevoerd. Wat betreft leerlingenaantallen zette de groei pas goed in na die gelijkstelling, maar toen ging het ook rap: het boek sluit de geschiedschrijving af in 1998, wanneer inmiddels 17.000 leerlingen op de 32 vestigingsplaatsen van CVO staan ingeschreven.

Als men het verhaal over het Rotterdamse bestuur leest, valt vooral op hoe conservatief men zich opstelde. Dat in 1957 nog een dansverbod op schoolfeestjes wordt afgekondigd, paste in de gereformeerde zeden van die tijd, maar de h.h. bestuurders gingen Řberhaupt niet graag met hun tijd mee. Steeds stuitten pogingen om kleur en identiteit van de school aan te passen aan veranderende maatschappelijke omstandigheden af op een minderheid van prinzipienreiter die met de statuten in de hand de gereformeerde grondslag wisten te handhaven. Opmerkelijk is ook de tot op heden voortdurende angst voor invloeden van ouders op het bestuursbeleid en zelfs op de scholen. Als ergens duidelijk wordt dat de onderwijsvrijheid in Nederland niet de vrijheid is van ouders maar van bestuurders zonder achterban, dan is het wel in dit boek. Terwijl de vereniging gewoonlijk nauwelijks meer leden dan bestuurders telde, werd altijd zeer argwanend gekeken naar aspirant-leden (die overigens inderdaad niet zelden oneigenlijke oogmerken hadden met hun wens om lid te worden) en werden herhaaldelijk voorstellen om gericht leden te gaan werven onder ouders die de grondslag zouden willen onderschrijven, toch maar weer van tafel gehaald uit angst voor afwijkende en nieuwe geluiden.

Maar dit neemt niet weg, dat het kennelijk goed gaat met het protestants-christelijk voortgezet onderwijs in onze havenstad en dat er een serieus boek is geproduceerd om de eerste honderd jaar daarvan te vieren.

Johan Sturm

Niet alleen het katholieke Stanislas in de prinsenstad vierde in 1998 zijn halve-eeuwfeest met een gedenkboek, ook de protestantse tegenhanger ter plaatse, het Christelijk Lyceum Delft, deed dat, maar natuurlijk veel zuiniger. Dat beide middelbare scholen in 1948 werden opgericht, is trouwens geen toeval, maar resultaat van een monsterverbond tussen Delftse katholieken, protestanten en sociaal-democraten, gericht tegen enerzijds de lokale liberalen, die de bestaande openbare school prefereerden en verzuiling en versnippering vreesden en anderzijds een nationaal onderwijsbeleid dat door een speciaal Stopwetje tussen 1921 en 1956 de financiering van nieuwe middelbare scholen sterk bemoeilijkte.               Beide confessionele groepen te Delft spanden kort na de Tweede Wereldoorlog met succes samen om ieder een eigen middelbare school te verkrijgen en verwierven daarbij de steun van de plaatselijke PvdA, die, gedreven door de solidariteit van de rooms-rode coalitie en door anti-elitaire sentimenten tegen het bestaande plaatselijke gymnasium, de lokale verzuiling steunde.

Dit soort informatie is overigens niet terug te vinden in het CLD-boek. Het is wel een alleraardigst werkje. De secularisatie bijvoorbeeld wordt daar ge´llustreerd met de volgende observatie: ôNog niet lang geleden leverde een PC basisschool in Delft 12 nieuwe brugklassers af: 11 ouders gaven aan geen kerkelijke gezindte te hebben, de twaalfde noteerde: ôchristelijkö. Het is duidelijk dat op het punt van kerk en geloof in 50 jaar ˇˇk veel veranderd isö (p. 112). Overigens is gelukkig de stijl niet overal zo onbeholpen als in dit citaat. Maar deze fraai vormgegeven publicatie had ook niet de pretentie een doorwrocht historisch werk te zijn. Als leuk lustrumboek biedt het betrokkenen en zelfs niet-betrokkenen veel lees- en kijkplezier en overweldigende weemoed.

Johan Sturm

Zakelijke info