Periodiek van de Vereniging Vrienden van het Nationaal Onderwijsmuseum

 


 

50403. Boekbespreking

Th. Veld, Volksonderwijs en leerplicht. Een Historisch‑sociologisch onderzoek naar het ontstaan van de Nederlandse leerplicht 1860-1900. Delft 1987. 296 pp.

 In zijn onlangs verschenen proefschrift Volksonderwijs en leerplicht stelt de Leidse onderwijssocioloog Theo Veld zich de vraag "welke factoren en processen hebben geleid tot de invoering in Nederland van een leerplichtwet in 1900" (p.13). De bestudering van deze wetgeving komt voort uit de belangstelling van de auteur voor de problematiek van de pedagogisering van de jeugd. dat wil zeggen het proces van uitsluiting van het kind en de jongere uit de wereld van de volwassenen. De historisch‑pedagoge Lea Dasberg heeft die ontwikkeling naar een aparte positie van jeugdigen beschreven in haar boekje Grootbrengen door kleinhouden (1975). Veld hoopt door bestudering van op kinderen gerichte wetgeving inzicht te krijgen inde maatschappelijke krachten die een rol hebben gespeeld bij dit 'uitsluitingsproces'.

De beantwoording van de onderzoeksvraag bij.. Veld stellen in een meervoudig theoretosch kader. Hij noemt de op Norbert Elias gebaseerde theorievorming over de sociogenese van de verzorgingsstaat van de Amsterdamse socioloog De Swaan. Tevens vindt de auteur aansluiting bij de politicoloog Stuurman, die hem ertoe inspireert in zijn onderzoek rekening te houden met "interne breuklijnen binnen de politiek‑maatschappelijke stromingen en met de versmelting eventueel van verschillend soortige konfliktstof" (p. 25). Tenslotte heeft Veld inspiratie gevonden bij de Franse filosoof Foucault en diens epigonen. In hun traditie kunnen het nationale onderwijsstelsel, de praktijk van het schoolbezoek en de leerplichtdiskussie worden gezien als normalisering en disciplinering van de levenswijze van de bevolking.

Omdat Veld (terecht) tekortkomingen signaleert in de bruikbaarheid van de afzonderlijke theorieŽn, voelt hij zich niet gedwongen zich tot het hanteren van een theorie te beperken, maar gebruikt hij de diverse theoretische noties selektief.

Het verslag van het empirische bronnenonderzoek wordt de lezer gepresenteerd in een gekombineerde chronologische en thematische aanpak. In kort bestek wordt de uitgangssituatie besproken: vanaf 1806 bestaat er een nationale onderwijswet, waarbij onderwijs op door de overheid op hun degelijkheid gekontroleerde scholen in principe toegankelijk is voor iedereen. Vooral door de sociaal‑ekonomische omstandigheden is het voor zeer grote groepen uit de volksklasse echter onmogelijk hun kinderen onderwijs te laten volgen. Maar ook is het in die klasse en voor die klasse nog geen norm om het laten volgen van onderwijs als een deel van de ouderplicht op te vatten.

Hoewel er een nationale onderwijswet is, is de regeling van het onderwijs vooral een gemeentelijke zaak. I n de uit de grondwet van 1848 voortvloeiende onderwijswet van 1857, wordt de problematische kombinatie van vrijheid van onderwijs en overheidszorg voor de openbare school vastgelegd.

Voorstellen voor leerplicht in de periode tot 1860 ziet Veld als louter incidenten. In de jaren '60 is er sprake van een onderstroom in onderwijs en maatschappij die pleit voor leerplicht, kosteloos onderwijs en een verbod van kinderarbeid. Politiek gezien heeft deze onderstroom nog maar weinig in de melk te brokkelen: van leerplicht en kosteloos onderwijsmoeten de schoolopzieners niets hebben en van het initiatiefwetsontwerp van Van Houten met betrekking tot de kinderarbeid, waarin ook de leerplicht 'was opgenomen, blijft in 1874 slechts een uitgekleed Kinderwetje over.

In de periode 1875‑1890 wordt de onderwijskwestie het belangrijkste punt in de kontroverse tussen liberalen en konfessionelen. De dan nog met de sociaal‑liberalen verwante Vereniging Volksonderwijs verdedigt het principe van de leerplicht, als onderdeel van haar voorstellen tot een strukturele verbetering van het onderwijs. Voor de antirevolutionairen is zulks onaanvaardbaar wegens hun ideologische afwijzing van inhoudelijke bemoeienis van de staat met opvoeding en onderwijs en wegens de bevoorrechte positie van het openbaar onderwijs en de daaruit voortvloeiende nadelige konkurrentiepositie van het bijzonder onderwijs. Uitgebreid besteedt Veld aandacht aan de ideologische, maatschappelijke en politieke posities van de verschillende liberale groepen, de antirevolutionairen en de socialisten. Machtsverhoudingen en de ingenomen plaats in het 'onderwijsvertoog' blijken nauw samen te hangen.

Volgens de auteur is er in de periode 18601890 sprake van een maatschappelijk proces waarin de moderne norm omtrent schoolbezoek wordt gepreciseerd. Letterlijk zegt hij: "De opeenvolgende praktijken ter bevordering van schoolbezoek in de periode 18601890 resulteren in de formulering van een nieuwe, eenduidige maatschappelijke norm. Die norm luidt dat elk kind van zes tot twaalf jaar de dagschool behoort te bezoeken. De nieuwe norm produceert een sociale kategorie aangeduid met de term 'de schoolgaande bevolking'. Het is deze kategorie die produkt en objekt tegelijk is van de praktijken ter bevordering van schoolbezoek en ‑vanaf de jaren 70≠van een onderwijsbeleid gericht op algemene onderwijsdeelname. Gelijktijdig met de uitkristallisatie van deze norm van schoolbezoek ziet men een steeds nauwkeuriger onderscheiding van de afwijkingen van die norm, naar aard en oorzaken." (p. 146). Een en ander wordt zichtbaar gemaakt in de onderwijsstatistiek, waarvan Veld een aardige en relevante ontwikkelingsschets biedt. Er bestaat immers een nauwe wisselwerking tussen de aard en ordening van de statistische gegevens en de praktijk en het politieke debat rond schoolbezoek.

Uit de gepresenteerde onderwijsstatistieken blijkt nog eens duidelijk dat het absolute schoolverzuim eind jaren '90 zeker niet groot was. Vandaar dat de roep om een leerplichtwet niet was gebaseerd op dit verzuim, maar op ongeregeld schoolbezoek en voortijdig school verlaten. Ook uit de kwalitatieve bronnen (bijvoorbeeld de arbeidsenquetes) blijkt dat onregelmatig schoolbezoek wegens arbeid de ernstigste bron van schoolverzuim was. Veld konkludeert dan ook dat de Nederlandse leerplichtwet van 1900 "een precieze norm omtrent schoolbezoek vastlegt" (p.179).

Het in 1891 aantredende liberale kabinet Van Tienhoven presenteert een wetsontwerp voor een leerplichtwet. Daarbij kan men teruggrijpen op voorstellen van Volksonderwijs en de afdeling Onderwijs uit de jaren '80. Door de val van het kabinet komt het niet tot een stemming over het ontwerp. Goeman Borgesius komt in het nieuwe kabinet Pierson met een nieuw ontwerp (1897). Uitgebreid besteedt Veld aandacht aan de argumentaties voor en tegen dit ontwerp. Voor hem is duidelijk dat de konfessionelen dan geen principiele bezwaren meer hebben tegen een leerplicht, maar dat hun oppositie vooral moet worden gezien als schoolstrijdtaktiek: zij willen "maximale druk uitoefenen op de regering voorfinanciele kompensatie en propagandistisch munt slaan uit verzet tegen de 'dwangwet' (p. 210). Ook het feit dat het kabinet Kuyper dat in 1900 aan de mach' komt, niet aan de leerplichtwet tornt, ziet VenĄ als een bevestiging van deze visie.

In het betoog van Veld wordt ruime aandacht besteed aan sociale, ekonomische en politieke ontwikkelingen. De onderwijsontwikkelingen zijn daarin ingebed. Als een goed socioloog onderscheidt hij telkens verschillende groeperingen en belangen binnen maatschappelijke en politieke organisaties. Konform een van zijn theoretische noties wordt ingegaan op interne breuklijnen, wat een gedifferentieerd beeld oplevert.

De slotkonklusie dat de leerplichtwet van 1900 een beperkte betekenis heeft gehad voor de bestrijding van het schoolverzuim, dat de funktie van de wet niet was gelegen in een direkte interventie in het maatschappelijk gebeuren, maar in die van kodifikatie van de heersende kulturele norm en dat de wet een afsluitend moment was in de "maatschappelijke produktie van een norm" (p. 214), lijkt mij eerlijk gezegd niet geheel nieuw.

Het is wel prettig dat de leerplichtdiskussiecij, de maatschappelijke faktoren die daarbij eerrol speelden nu eens in een afgerond geheel zijn beschreven. De auteur is er in geslaagd het beeld te presenteren ze gedifferentieerd als de historische werkelijkheid nu eenmaal is, zonder de grote lijnen uit het oog te verliezen. Daardoor is het een bruikbaar boek geworden.

De slotbeschouwing bevat helaas geen expliciete terugkoppeling van de empirische onderzoeksgegevens met de in het begin genoemde theoretische noties, wat zeker in een proefschrift wel zou moeten. Hierdoor mist Veld de kans om het min of meer bekende beeld in een samenhangend theoretisch perspek tief te plaatsen. Dat was in de slotbeschouwing vruchtbaarder geweest dan de ondernomen poging tot aktualisering: het betoog over de problematiek van de hedendaagse vroeg‑ en voortijdige schoolverlaters is een onderwijssociologisch essay geworden, dat tamelijk ver afstaat van de voorafgaande boeiende historische analyse van het ontwikkelingsproces naar de leerplichtwet van 1900.

Anneke van der Wurff

 

Zakelijke info