header genvos2
Home Nieuws Sitemap Contact
Gijsbert ca 1580

R.K. Kerk in Kethel en Spaland na de Reformatie

uit: Jaap de Raat In en om de dorpskerk van Kethel en Spaland, Schiedam 1975 p. 98-106.

Hoe de verhouding was tussen de dorpse aanhangers van de oude Moederkerk en die van de Nye Leer, de eerste decennia's na de Reformatie, is ons helaas niet bekend. Waarschijnlijk gaf de gezamelijke Spaanse vijand en de kommervolle tijd, over deze geschillen heen, nog een band van verdraagzaamheid en spitsten de moeilijkheden zich pas toe toen de vrijheid begon te dagen.
Volgens sommigen zouden de Roomsen uit Kethel te Zouteveen samenkomsten gehouden hebben in een kapel aan het kruispunt aldaar. (Nog "de Kapel" geheten.) Gezien dat dit gebouwtje in 1572 gesloten werd, maar pas in 1719 afgebroken, zou het op waarheid kunnen berusten. Hun aantal groeit tegen de verdrukking in, zodat zij onofficieel samenkomsten gaan organiseren. Ze drukten de Baljuw iets in de hand en die op zijn beurt kneep een oog dicht. Met als gevolg grote ogen aan de andere kant en een mond die ach en wee schreeuwde over zoveel Paapse onbeschaamdheid!

In Kethel speelt dit zich af op de hoek van de Delfweg en een laan naar de Poldervaart (eeuwen later Joppelaan genoemd).Tegen de bouwmanswoning, die Arent Sijmons van Dijck van zijn schoonvader Corn. Corn. Delffwech had geerfd, wordt in 1648 aangetimmerd "seckere huysinge bestaende uyt drie bysondere vertrecken beneden der aerde, alsmede een koockhuys, turfhuys en houtsolder". Omgrensd door erf en tuin. Bij de boerderij hoorde 18 morgen land; 3 morgen in eigendom, 6 van Heer van Naerden en 9 van Maria van der Burg weduwe van Dirk Panser (later aan Heer Ramp). Dit waren aanzienlijke Roomse families en in die tijd kwam het vaak voor dat zij, in de stad wonend, ter plaatse van hun bezit een gelegenheid trachttten te scheppen om hun al of niet verkapte geloof in de Moederkerk daar te kunnen belijden. In ieder geval was de ligging in dit deel van de Noord-Kethelpolder ideaal voor een schuilkerk. Een landschap doorsneden met waterwegen, verbonden met Delft, Rotterdam en Schiedam door Schie en Poldervaart en rietaanwassen als vluchtgelegenheid. Als echter in 1647 priester Pieter de Roos zich hier vestigt, loopt het in de gaten. Gerechtsbode Dirck Maertens Heckenhouck krijgt opdracht van de Heer van Kethel, Aert Sijmons en Pieter de Roos te gelasten "31 july op het raethuys te verschijnen. Omme aldaer te aenhoren soodanige eijse ende conclusie als de heere van de Ketell jegens hen luyden alsdan geraden sal vinden te nemen". De priester wordt ten laste gelegd dat hij zich hier ophoudt zonder toestemming van de Magistraet van Kethel, in strijd met de placcaten van de Hoog Mogende Staten-Generaal van 30 augustus 1641 en voorgaande. Hij verschijnt niet; evenals Arent Sijmons die verweten wordt, dat hij een priester en enige clopsusters onderdak verleent en zijn woning dagelijks laat gebruiken tot het Pauselijk bijgeloof, eveneens in strijd met de placcaten. (Waar maximaal 600 carolus gld. op staat). Het wordt een proces waarbij de advocaat aanvoert, dat dit buiten de jurisdictie van de Ambachtsheer ligt. Alzo wordt het verwezen naar de Bailliu en Welgeboren mannen van Delfflant. De afloop ontbreekt. Jaren later, in 1654, schrijft Baljuw Willem van der Hoeff aan het Hof van Holland, dat hij in Kethel is geweest maar ondanks informatie geen priester heeft kunnen vinden.

In 1655 is het wel raak, maar liefst 10 personen worden aangeklaagd door de Schout van Kethel, Corn. Willems Bijl. Het zijn: Arent Jaspers (Uyttendoorn), Goris Jans de Vette, Arent Sijmons (van Dijk), Adriaen Arents Berckel, Corn. Arijen van der Burch en zijn vrouw Maertje Joris (de Vette), Arij Corn. Poldervaert en vrouw Pleuntje Jans en Michel Pieters met vrouw Maertge Leenderts. De schout verklaart dat hij op "22 february, Sondach thien uyren gecomen sijnde in de Noort Kethel ten huyse van Arent Jaspers, ambachtsbewaerder, (hoek Groeneweg, nu boerderij J. de jong) en aldaer bevonden een grote vergaderinghe van menschen, naer de ooge wel hondert ende vijftich personen. De inganch belet, de deuren gesloten, pas nae meenichvuldige vraginge open gedaen. Wesende in de selve camer seeckere twee personen aangedaen met pauselijcke habiten, de eene sijnde een priester en de andere desselfs dienaer, staende voor een taeffel inspecie van een Outaar, voorsien met pauselijcke ornamenten. Eenighe van de voorsegde persoonen riepen niet alleen injurieuse {53} woorden, maer oock met steensmijten ende stocken in de handen nemende ende dreijgende." Hij eist tegen Arent Jaspers 200 carolus guldens. De boete voor de anderen wordt niet duidelijk, doordat de stukken deels verteerd zijn. Ook deze rechtszaak verdwijnt wederom naar de Baljuw van Delfland.

In het daarop volgende najaar verklaart Heer De Baluw, dat "dominee Swalmius, het gerecht en verscheijdene ingesetenen van Kethel meermalen klaegsgewijs bekent hebben gemaekt, dat sij meer en meer ondervonden dat die van de Pausgesinden so binnen als buyten desen Ambacht woonachtig, van tijt tot tijt tot hare vergaderingen in 'd een en 'd andere huysen in deselven Ambacht openbaerlijck, vrijelijck en sonder verhindering en met grote menigte op 't klockgeluyt haer Pauselijcke diensten onderhouden. Tot welck eynde oock een priester in 't Ambacht sich onthielt en woonachtig was ten huyse van eene Arent Sijmons in de Noort Kethel. Hoognodig dat de Placcaten nageleefd worden. De klagers zijn al dikwijls ten huyse van Willem van der Houffe, Dijckgraef ende Balliu van Delfflant geweest. Deze belooft telkens er wat aen te doen, maer verhindert het nooit."

Met Arent Sijmons van Dijck, de boer die in deze moeilijke tijd zoveel risico neemt, gaat het schijnbaar niet zo gelukkig. Zijn vrouw Maertje Cornelisdr blijkt in 1657 overleden en om eigenaar te blijven, keert hij f 900,- aan zijn vier kinderen uit; de halve waarde van zijn bedoening. Enkele jaren later leent hij f 500,- en in 1682 nog eens f 1.000,-, hiertoe verbindt hij zijn woning met 3 morgen land waar het op staat. Weer een jaar later verkoopt hij voor f 400,- aan de Rotterdamse advocaat Mr. Hendr. Roos de al eerder genoemde "huysinge bestaende uyt drie bysondere vertrecken beneden der aerde enz. met het recht van overpad over het erf." Er werd een geheime clausule bijgemaakt, die, met andere kerkelijke stukken, pas enkele jaren geleden werden ontdekt boven de bedstede in een woning van het Bisdom Haarlem, aan de Kerkweg juist buiten het dorp. Een eeuwenoude boerderij, vernieuwd in 1891 en gesloopt in 1970. Die clausule vermeldt, dat de verkochte woning, "het huis is waerinne de pastoren van Kethel van 1648 tot nu gewoont hebben, mitsgaders haer kerck altijd op naem van Arent Sijmons gestaen heeft en daer deel van is." Hij verkoopt het onder conditie dat: 1. Zijn bezit er niet minder waard van mag worden. 2. Zou het niet meer door de pastoor worden bewoond, dan recht van terugkoop voor hetzelfde bedrag of huren voor f. 20,-'s jaars.

Zijn laatste bezit, de daaraan grenzende boerderij bestaande uit huis, bijhuis, schuur, barg en geboomte, gaat in 1691 eveneens over aan de Heer Roos, mèt land in de Groeneweg. De drie morgen achter het erf zijn dan al in bezit van de Heer Ramp. (Nu nog Rampenland genoemd.) Later, in 1704 zal de Heer Roos verklaren, de boerderij gekocht te hebben voor pastoor Van Wijck en zijn zuster. Zo ook bij koop van het aangetimmerde huis in 1683, zijn naam geleend te hebben voor dezelfde pastoor. Arent Sijmons van Dijck werd na een veel bewogen leven begraven op 2 september 1693.

De eerst genoemde priester Pieter de Roos werd in 1652 opgevolgd door joannes de Haes en deze negen jaar later door Isaack Pijnacker. Dat de stemming tussen Roomsen en Gereformeerden uiterst geladen was, daarvan getuigen de Hervormde Kerkeraads notulen van 1664. De Classis brengt enkele besluiten van Synoden weer onder de aandacht:
1. Bidden de middelen tot afbreuk des Pausdoms. In de predicatie de grauwelen des Pausdoms naerstelijck voor de oogen der Gemeijnte affschilderen. Dat alle Gereformeerde ouders wel werden vermaent haer kinderen in geen paepse scholen of bij kloppen te besteden.
2. Voorzichtelijk omtrent het huyren der dienstboden die Paepsgesint zijn. 3. Kerckelijcke middelen tegen ontheyligen van Gods Heylige naem.
4. Dat bij groote maeltijden ende bruloffs de ouders gehouden werden geen danserijen in haere huysen toe te laeten. enz. enz.

Maar de zwaarste slag brengen de tegen de verdrukking in groeiende Rooms Catholieken zichzelf toe door inwendige verdeeldheid. Een groep onder Codde, jansenisten genaamd (later Oud-Katholieken) leidt tot scheuring, waarbij deze laatste begunstigd worden door de Staten van Holland.
De vurige jezuiet Adriaen Van Wijck, op de dag van zijn priesterwijding in 1665 tot pastoor van Kethel en Zouteveen benoemd, toont zich door woord en weerwoord (de Ketheltrommel) een fel bestrijder van het jansenisme, in de omgeving van Rotterdam. Zo zelfs dat de Hoog Mogende Staten, die deze richting beschermden, hem op 10 mei 1704 gelasten binnen 48 uur Delfland, en binnen 8 dagen Holland en Friesland te verlaten. Dan laat de pastoor een stuk opmaken, dat woonhuis, kerk en achtertuin van de pastorie eigendom van de (RK) gemeente is; maar het andere deel van huis, tuin en bogaart van hem. Dat laatste zal na de dood van hem en zijn zuster Catharina aan de (R.K.) gemeente worden geschonken, onder begeerte dat de aangenomen pastoors oprecht Rooms Catholiek zijn. Maar . . . . zo die besmet zijn met nieuwigheid die men jansenisterie noemt, vervalt het aan Van Wijcks eigen erfgenamen. Ondanks verzoek van kerkmeesters en parochianen aan de Staten, moet hij als balling het land verlaten. Hij overlijdt op 16 december 1719 te Calcar in Duitsland. De Kethelse kerk erft zijn bezittingen en zal jaarlijks drie ziele missen aan hem wijden. Jammer dat eind vorige eeuw een gevelsteen met zijn naam zoek geraakt is. Bijzonder gelukkig mag de St. jacobusparochie zich prijzen met het portret van deze strijder. Het is ongesigneerd, goed geschilderd, maar slecht onderhouden. Van Wijcks uitwijzing had een verstrooiing der schapen tot gevolg, die door rondtrekkende priesters vanuit Schiedam, Schipluiden en Delft werden verzorgd. Waarbij de onderlinge naijver veel afbreuk deed.

Gelukkig kreeg Kethel in 1710 weer een pastoor, Theod. van der Broeck. Een jaar daarop volgde verbouwing, waardoor de kerk een meer openlijk karakter krijgt. De bordestrap van de kerk, listig in het koockhuis weggewerkt, vindt haar plaats buiten de gevel en de pastorie wordt van een boerderij verwerkt tot een bekwaam pastoorshuis. Onder de bedrijven door houden de aanhangers van de beide "geloven" elkaar nauwlettend in de gaten. Wat blijkt uit notulen van de Gereformeerden in 1743, als Dispa pastoor is. Ds. Muller verklaart gehoord en gezien te hebben, dat de Oude Paepse kerk in Noord-Kethel afgebroken was en een nieuwe op desselfs plaets gesteld, en dus de kerkeraad verplicht was op te letten, volgens Synodale resoluties, dat deze niet groter werd gemaakt. Het blijkt dat de Gereformeerde ouderling Corn. Post de timmerman van de kerk is en Isaak Kool de metselaar. Post biecht op wat de veranderingen zijn en wel: 1. De oude Paepse kerk was op een bovenkamer en komt nu op de plattegrond.
2. Afdak en diverse aangebouwde kamers worden nu in het lichaam gebracht. 3. Tesamen wordt het nieuwe gebouw een derde groter maar de eigenlijke kerkruimte kleiner. 4.De kerk is 20 voet dichter bij de weg gekomen, hiervan wordt akte gemaakt.

Conclusie is, dat de steeds maar aangetimmerde bijbouwsels nu het lichaam der nieuwe Paepse kerk gaan bepalen. Dominee en de ouderlingen C. Post en Dirk Poot zullen naar de Baljuw gaan, om te verzoeken in te grijpen dat de nieuwe kerk zonder vergroting wierde getimmerd. Na minzame ontvangst krijgen zij te horen dat: 1. Vernieuwing van een woning tot de Paepse Godsdienst door Gecommitteerde Raaden reeds was toegestaan (het woord "kerk" wordt omzeild). 2. Deze in quadraat gerekend niet groter wordt. 3. Hij belooft te zullen toezien dat het niet buiten bestek gaat. Toen de predikant het woord bestek hoorde, informeerde hij of de Paepse het afdak of hannekeshok, so sij het noemen, met diverse kamers voor "kerk" hadden opgegeven. Ook of dit ca. 20 jaar geleden aangebouwd was met toestemming van Gecommitteerde Raaden. Waaruit het gevaar zou voortvloeien weer aanbouwsels te maken en later weer hun kerk te vergroten. Het antwoord was, dat het inderdaad als kerk werd aangegeven zonder dat bekend is of het met toestemming tot stand kwam. "Het gevaar voor in de toekomst, daarin zulle hij of sijn navolgers moeten sorg dragen. Also sijn sij met veel vrindschap van de baljouw gescheiden". Van dit kerkhuis, ingezegend door pastoor Pr. Beeckhof, vervangt men in 1787 het rieten dak door blauwe pannen, zoals op de pastorie.

Dat er ook harmonie kan zijn tussen beide gezindten blijkt uit de deling van het Heilige Geestfonds. Het gezonde boerenverstand stijgt dan boven geestelijke of staatkundige barrières, zij blijven het land eendrachtig verhuren. (Dit vindt plaats tot de huidige dag en daarvoor wordt wisselend een R.K. of Protestante notaris ingeschakeld.) Moeilijker wordt het in de tijd van "Gelijkheid, Vrijheid en Broederschap". Zoals gezegd is eeuwenlang de gelijkheid zoek, worden de Roomsen beknot, staatsrechtelijk en kerkelijk. De boventoon blijkt in Kethel Patriottisch; is het wonder dat de zich daaronder bevindende Katholieken opkwamen voor haar rechten ?
Vooral toen na de Staatsgreep in 1798 door nieuwe grondwet de scheiding tussen staat en kerk een feit werd en alle kerkelijke gezindten gelijke rechten kregen. Meer nog, de mogelijkheid werd geopend genaast bezit terug te vorderen. Maar hier ging het gezegde op: "Ze dronken een glas, deden een plas en lieten de zaak zoals het was". Het begon hoopvol. In het 4e jaar van de Bataafse vrijheid verzoekt de Municipaliteit van Kethel (gemeentebestuur), op last van het Uitvoerend Bewind, aan de kerkmeesters van de "voormaals heersende kerk" schriftelijk het eigendomsbewijs van kerk, pastorie en gevolge te leveren. De Gereformeerden berichten dat de vorige kerk afgebrand is en deze in 1631 door hen gebouwd. Bekostigd uit vrijwillige ommeslag waar de weinige Rooms Catholieken niet toe hebben bijgedragen, o.a. Joris Jans de Vette en de kinderen van Corn. Corn. van der Harg. Wel was er een heffing op het bier, maar bijna alle inwoners waren toen Gereformeerd. Terwijl het allergrootste deel bekostigd werd uit legaten van Trijntge Michels en Joris Cors. Post. Ter staving worden copiën van bestek en jaarrekeningen overgelegd. Ook de pastorie heeft al driemaal meer gekost als zij waard is.

Menen hiermee alles bewezen te hebben en hopen geen zwarigheid meer. Getekend Pr. van de Akker en Wm. van der Bijl. Een commissie van de Rooms Catholieken, job van der Harg, Joris Maat, L. Lansbergen en Pr. Borsboom, vinden de Staatsregeling, dat de plaatselijke besturen zullen oordelen of het bezit al of niet wettig is, maar zo zo, doch berusten er in. Niet echter in de argumenten van de Gereformeerden, die zij bijzonder stout noemen. Vinden die "vrijwilligheid" niet groot, gezien de klacht van de bode indertijd voor het vele aanmanen. Vreemd dat het toen bijna allemaal Gereformeerden zouden zijn geweest en de getallen nu in omgekeerde richting getuigen. De kerk is ook niet gèbouwd, maar hèrbouwd en wel op grond, waar ze geen recht op hadden. De Pastorie is in geen geval wettig eigendom, de hoge rekeningen vinden zij een miserabel argument. Ze hopen recht te zullen wedervaren. Men vraagt meer documenten, maar deze zijn mogelijk door afbranden van onze kerk, zowel als de secretarie van Schiedam en kort geleden die van Kethel daarbij verloren gegaan. Tevens worden te Delft, Vlaardingen en Overschie geen sporen gevonden, maar de zerk van Joris Post "dewijl hij oorzaak is van dit Cierlijck gebouw" is een stenen getuigenis. Zo golven de stukken heen en weer, totdat een nieuwe Constitutie in 1801 er een streep onder zet.

Nieuwe hoop wordt gewekt als Lodewijk Napoleon de troon bestijgt en bij decreet van 1808 de mogelijkheid weer open stelt. Inmiddels is de oude pastoor Franciscus Paymans overleden. Een vermogend man, die schijnbaar weinig vertrouwen had in het Franse bewind, gezien hij zijn kapitaal tot een bedrag van f 25.735,- belegd had bij vele andere buitenlandse mogendheden. Eén recht van gelijkheid mocht hij nog net beleven, n.l. het besluit in 1804, dat ook R.C. Pastoryhuizen vrij van de 20e penning zullen zijn {54}.
Het Roomse Kethel vindt in haar nieuwe pastoor Nicolaas Colijn een vurig voorstander van hun zaak. Hij begint met de kerk te laten opknappen. (Zelf zag hij er ook graag opgeknapt uit, gezien een nog aanwezig portretje; het poederen van zijn witte pruik bezorgde hem een aanslag van 5 gld 16 stuivers belasting.) Om de opgerakelde kwestie tot klaarheid te brengen benoemt de Landdrost van ons departement Maasland Mr. F. van Hoogstraten als bemiddelaar van kerkelijke geschillen. Deze informeert naar het aantal zielen, waaruit blijkt dat er in Kethel 260, in Spaland 27 en in Nieuwland 73 Gereformeerden zijn, totaal 360. Bij de Rooms Katholieken is dat resp. 445, 22 en 110, totaal 577 zielen. Dit grote verschil is er nog niet zolang en komt door een aantal vreemdelingen, beweren de Gereformeerden. Voegen bij de bekende argumenten ook, dat zij het schoolhuis grotendeels nieuw gebouwd hebben en de meester zijn traktement ontvangt van de kerk, terwijl de school voor kinderen is van beide Godsdiensten. Wijzen er op dat zij voor f 1.200,- in de schuld zitten en meer kosten hebben aan de kerk als de Katholieke, die nieuwer is. Dat de Roomse kerk te groot van opzet blijkt, komt door het niet voorzien dat Overschie een eigen R.C. kerk zou krijgen. Chirurgijn Cornelis van der Snoek besluit namens de Hervormden "dat zij hun de rechten niet misgunnen, maar laten liever het gordijn vallen en die akelige geschiedenisre verwisselen met het Evangelie van onze Heere jezus Christus, 't welke leert elkander niet te kwellen maar lief te hebben". Zij willen zich het afkoopbedrag .f 800,- (wat Mr. Hoogstraten genoegzaam achtte) getroosten, maar beslist niet meer. En dàt is nu juist wat de Catholieken wèl verlangen. Voor hen stelt Pr. van Lindt, dat al in 1798 de Protestanten .f 2.000,- geboden hebben. Hetgeen weer prompt tegengesproken wordt. Vóór er een justitieële beslissing valt is ons land bij het Keizerrijk Frankrijk ingelijfd, van de kaart geveegd . . . ., evenals de eisen van de Rooms Catholieke kerk. Geloof nu niet dat de vasthoudende pastoor Colijn de man was om stilzwijgend te berusten. Hij schrijft in 1813 aan de Prefect van de Monden van de Maas, dat de rechten van de Rooms Catholieken op de Groote Kerk in 1798 zijn erkend, maar de overeenstemming en voldoening uitbleef, alzo nu nog aanspraak maakt op kerk, kerkhof enz. En wat blijkt nu, de Calvinisten hebben in 1811 en '12 de olmenbomen op het kerkhof verkocht. Erger nog, ze onderhandelen met de burgerlijke Gemeente om het kerkhof te verkopen voor een begraafplaats, overeenkomstig de Franse wetten. Hij verzoekt recht van deling, naar zielenaantal 2/3, als de verkoop plaats mocht vinden, zowel van bomen als kerkhof. Maar .... de verkoop gaat niet door en ook deze hoop op deling blijft een vrome wens! Zo eindigde de Franse tijd waar ons Vaderland geschonden uitkwam, maar ook onze beide kerken. De voormaals heersende Staatskerk had haar eerste recht verspeeld en de Moederkerk haar eerste recht niet herwonnen. Maar ondanks dat, is haar plaats in de dorpsgemeenschap heel wat positiever geworden.
Zo zelfs dat in 1820 toestemming wordt gegeven bij de RoomsKatholieke kerk een begraafplaats aan te leggen voor de doden van eigen religie. (Ook gebruikt door veel Schiedammers, die zo'n gelegenheid in eigen stad misten.) Tevens verbouwt men de kerk en deze krijgt voor het eerst een toren, met klokken. Een eigen gezicht dus, met een eigen geluid. Het interieur is eveneens aangevuld en verrijkt. Zo zelfs dat het een ongewenste en ongelovige bezoeker trok, die zich toegang verschafte door met een met teer besmeurde lap een ruit te forceren. Hij verdween met twee zilveren kandelaars, van zeven palmen hoog [55], staand op het altaar. De kaarsen achter latend, met bloed.

Gelukkig geen bloed kostte het Gerardus Kerklaan, die als Zouaaf in 1868 naar Rome trok om gewapender hand de wereldlijke macht van de Paus te helpen verdedigen. Vergeefs blijkt ook het repareren van onze kerk in Noord-Kethel, door slechte bodemgesteldheid blijft het tobben. Pas in 1890 besluit men een nieuwe te bouwen aan de overkant. Eveneens aan St. Jacobus de Meerdere gewijd. Met zijn beeltenis, zoals J. Lansbergen beschrijft:
"Daar zien wij Jacobus onze goede patroon, Staand op een hoge beschilderde troon". De oude kerk en pastorie kunnen we, geschilderd en gefotografeerd nog altijd in de R.K. pastorie bekijken. Het is werk van de Kethelse bakker Anthonius van Houdt, die als amateur beide kunsten nastreefde. Het bezorgde hem de bijnaam "Toon Knoei", gezien hij zoveel aandacht aan zijn liefhebberij besteedde waardoor het brood weleens al te bruin bakte. Maar dank zij deze "knoeier" hebben wij een terugblik op het verleden!